Persoonlijke instellingen

Klanten beheren hun persoonlijke instellingen en tweefactorauthenticatie.

Overzicht

Deze pagina beschrijft het gebruik en de belangrijkste gevolgen van Persoonlijke instellingen. Als wijzigingen invloed hebben op bestaande tickets, machtigingen, meldingen of automatiseringen, moeten ze eerst in een testomgeving worden gecontroleerd.

Typische workflow

  1. Persoonlijke waarden opslaan. Voer de functie in het daarvoor bestemde formulier uit en controleer het resultaat direct in het bijbehorende overzicht of bij het betrokken ticket.

  2. Taal- en interface-instellingen wijzigen. Open de bestaande record, wijzig alleen de benodigde gegevens en controleer afhankelijke toewijzingen voordat u opslaat.

  3. Tweefactorauthenticatie instellen of deactiveren. Open het bijbehorende beheer- of actieformulier, voer de vereiste waarden in en sla pas op nadat toewijzingen en verplichte velden zijn gecontroleerd.

  4. Herstelcodes vernieuwen. Voer de functie in het daarvoor bestemde formulier uit en controleer het resultaat direct in het bijbehorende overzicht of bij het betrokken ticket.

Opmerkingen

  • Zichtbare menu-items en acties zijn afhankelijk van de groeps- en programmarechten van de aangemelde agent.

  • Gedeactiveerde vermeldingen blijven vaak behouden voor bestaande tickets en analyses, maar zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe toewijzingen.

  • Test na wijzigingen ten minste één realistische gebruikssituatie met een gebruiker van de betrokken rol.